Onkruid vergaat niet

Linda en Jacques hebben zes kinderen. Jacques heeft het syndroom van Asperger en bij drie van de zes kinderen is een vorm van autisme vastgesteld. In oktober 2012 leerden Linda en Jacques hun gezinsmanager René kennen. Vijf van de zes kinderen waren op dat moment uit huis geplaatst. Ten onrechte, vonden Linda en Jacques. Met hulp van René wonen zij nu alle zes weer thuis. Jacques is niet aanwezig bij het gesprek, hij heeft een time-out (opname in GGZ-instelling) van zes weken. Linda: ‘Zonder René zouden we nooit zo ver zijn als we nu zijn.’

Het is warm en zonnig als ik om half twee bij Linda aanbel. In de betegelde voortuin staan twee scooters, een roze en een zwarte. Harry van Humanitas doet open. Hij vertrekt net. ‘Linda zal zo wel komen,’ zegt hij.

Een paar minuten later komt Linda aangefietst. Kort rood geverfd haar, een stevig postuur en een vriendelijk gezicht. Ze zet haar fiets naast de scooters, geeft me een hand en gaat me voor richting de woonkamer. De gang is smal door een enorme kast waar hoepels, schoenen en speelgoed uitpuilen. De keuken ligt in het verlengde van de gang. De deur naar de tuin staat open. Linda vraagt of ik iets wil drinken. Op dat moment kijkt een klein poesje om de hoek.
‘Ah, dat is één van de vijf kittens,’ zegt Linda, terwijl ze een glaasje water inschenkt.
‘Gezellig zoveel dieren,’ zeg ik.
Als ik de woonkamer inloop, zie ik dat de familie niet van poezen alleen houdt. De langste wand is volgebouwd met terraria voor insecten.
‘Dat is een hobby van mijn man, daar zitten wandelende takken in. Maar de meeste zijn al dood.’

We gaan zitten op de hoekbank. Ik had van de gezinsmanager René via de telefoon al gehoord dat Jacques, de man van Linda, een time-out van zes weken heeft en ik vraag hoe het nu gaat.
‘Ja, het is heel vreemd,’ antwoord Linda beheerst. Op haar rechterschouder zit een katje dat zij ondertussen aait. Haar bril staat een beetje scheef.

‘Jacques en ik zijn nog nooit zonder elkaar geweest, maar het kon nu niet anders. Het ging niet meer. Hij heeft de ziekte van Asperger en hij kon de kinderen niet meer aan. We hebben zes kinderen, de jongste is zeven en de oudste is twintig. In ieder geval drie hebben ook een vorm van autisme. Jacques wist niet hoe hij een goede vader kon zijn. Als de kinderen schreeuwden kon hij niet inschatten of ze blij waren of juist boos... Hij ging er bijna aan onderdoor en daarom hebben we besloten dat hij even uit huis moest.’

‘Hoe is het voor jou om een relatie te hebben met iemand met Asperger?’ vraag ik.
Linda lacht. ‘Nou toevallig kom ik zelf ook uit een gezin waarin drie van de zes een vorm van autisme hebben, dus ik ben wel wat gewend.’
‘En hoe gingen jouw ouders daar dan mee om?’ wil ik weten.
‘Niet.’ Ze stopt even. ‘We zijn verwaarloosd, er was incest en ik heb zelfs een tijd op straat geleefd. In 1992 ben ik afgekeurd. Post traumatische stress van alles wat er gebeurd is. Verder heb ik een scheurtje in mijn wervelkolom, bekken instabiliteit en ik sta op en ga naar bed met hoofdpijn. Mijn vader was alcoholist en hij reed ook als hij gedronken had. Ik heb meerdere keren een auto-ongeluk gehad. Als ik daarna ergens pijn had gingen we nooit naar de dokter. ‘Onkruid vergaat niet’ zei mijn moeder altijd.’

Linda glimlacht. Inmiddels hebben zich drie kittens op mijn schoot verzameld. Eentje haakt zijn nagels in mijn vest. Ik vraag Linda hoe het haar lukt om zes kinderen op te voeden.

‘Nou, de kinderen merken niets van mijn klachten. Thuis gaat het goed. Ik moet alleen niet naar een drukke braderie of markt, ik heb pleinvrees. Maar mensen zien niets aan mij. Ze zeggen: “Linda lacht altijd!” Ik vind het belangrijk om controle te houden en ik toon anderen mijn emoties niet. Soms bedenk ik wel: “Vanavond als de kinderen in bed liggen en Jacques niet thuis is, kan ik misschien even huilen.”

‘Wanneer is René bij jullie gekomen?’ vraag ik.
‘Vorig najaar kwamen twee gezinsmanagers. René en Thijs. Ik schrok toen ik zag dat René een man is.’ Ze lacht. ‘Ik wantrouwde elke vorm van hulpverlening en ik vind contact met mannen moeilijk. Maar ik wilde alle hulp die aangeboden werd accepteren. Ik wilde alles doen om mijn kinderen terug te krijgen.’
Linda praat beheerst, soms kijkt ze naar mij, soms naar het katje op haar schoot.

‘Het begon allemaal toen de zaak van Jacques failliet ging. Toen zat hij opeens zeven dagen in de week thuis. Hij kon de kinderen en hun gedrag totaal niet aan. Zag alles als een probleem. Dingen die eigenlijk geen probleem waren. Uiteindelijk hebben we besloten om hulp te vragen. Daarvoor hadden we nog nooit hulp gehad. We wilden iemand die als een vlieg op de muur mee zou kijken. Naar hoe de kinderen op elkaar reageerden, hoe Jacques op hen reageerde, dat soort dingen. En dat diegene ons daarna praktische adviezen zou geven. Eerst hebben we bij een stichting speciaal voor mensen met Asperger aangeklopt, maar die kon ons niet helpen. Die zijn er alleen voor volwassenen met Asperger, niet voor de kinderen, zeiden ze. Toen hebben we contact opgenomen met Jeugdzorg. Normaal krijg je één intake gesprek, wij kregen er drie, omdat er zoveel achtergrond was. Daarna hebben we nog een aantal sessies gehad waarin ze ons hele gezin als systeem bekeken. Op een gegeven moment werd toen een opmerking van Jacques volledig uit zijn verband gerukt. Dit is de oorzaak van het uit huis plaatsen geweest. Het was in de tijd dat een aantal gezinsdrama’s speelden, ouders die eerst hun kinderen om het leven brachten en daarna zichzelf. Jacques zei dat hij zich kon voorstellen dat mensen dat als enige uitweg zien om rust te krijgen. Maar, hij zei óók dat hij zelf zoiets nooit zou willen en durven.’

Ze is even stil. Ik kan niet aan haar gezicht aflezen wat ze denkt of voelt. Dan gaat ze verder: ‘In februari vorig jaar zijn toen vijf van onze zes kinderen uit huis geplaatst. De oudste was al meerderjarig. Ze kwamen op verschillende plekken en daar zijn ze verwaarloosd!’ Voor het eerst verheft ze haar stem. ‘Mijn kinderen hebben speciale aandacht nodig en die hebben ze niet gekregen. Eén van mijn zonen is eerder getuige geweest van een criminele afrekening hier achter het huis en heeft hier een trauma van. Dat wisten ze op zijn groep niet eens! Een ander heeft overgevoeligheid in zijn mond. Hij kan bepaalde structuren van voedsel niet aan en hij krijgt een deel van zijn voedingsstoffen via een sonde. Hij belde mij huilend op dat hij het eten niet lekker vond. Toen pas kwam ik erachter dat ze niet wisten hoe ze de sonde moesten gebruiken. Toen ik mijn jongste mocht zien, zag ik dat hij allemaal blauwe plekken op zijn armen had, waarschijnlijk omdat ze hem niet aankonden op de groep. Daarvoor heb ik een melding bij het AMK gedaan.’

Dat was het moment dat twee gezinsmanagers, René en Thijs, kwamen. ‘Zij hadden al heel snel door dat ik niet labiel was, zoals in de rapporten stond. We hadden een heel open gesprek. Jeugdzorg wilde niet meer met ons praten, dus zij zouden het contact met Jeugdzorg en de voogden op zich nemen. Zij zouden ons overal opnemen in de CC. Het was heel transparant. Thijs is maar kort bij ons geweest. René heeft samen met ons gezorgd dat alle kinderen weer terug zijn gekomen. De laatste kwam pas februari dit jaar.’

‘Hoe vaak zag je René in die tijd?’
‘Wel vier, vijf keer per week denk ik. We moesten veel overleggen, over wat hij van de gezinsvoogden van de Raad van de Kinderbescherming had gehoord. Hij vroeg ook wel of ik de e-mails aan de gezinsvoogden wilde opstellen. Ik kon heel scherp, maar beleefd beschrijven wat aan de hand was. Hij verstuurde de e-mail dan. Twee gezinsvoogden hebben we niet eens gezien. Je moet ook wel je mannetje staan tegenover mij.’
‘Hoezo?’
‘Nou, ik kan heel goed uitleggen waarom het belachelijk is dat de kinderen niet thuis wonen. Ik stelde vragen waar ze geen antwoord op hadden... En dan gooiden ze het maar over een andere boeg. Dat ik de klemtoon verkeerd legde, dat ik niet mocht schreeuwen. Ik schreeuw niet. Voordat René er was, heb ik de gesprekken die ik had met jeugdzorg, opgenomen. Toen ik het hem liet horen zei hij: “Gaan ze zo met jullie om?” Hij was echt verbluft.’
‘Wat vind je van wat René doet?’
Linda stokt even. Er klinkt emotie door in haar stem als ze zegt: ‘Zonder René hadden we de kinderen niet terug gehad, zonder René had Jacques nooit deze stap gezet, zonder René zouden we voor vier kinderen niet van de gezinsvoogden af zijn, zonder René zouden we nooit zover zijn als we nu zijn.’

‘Is René de enige hulp die jullie krijgen?’
‘Nee, we hebben nog Harry van Humanitas. Die helpt ons met de administratie. Met alle rekeningen. Sinds de zaak van Jacques failliet is, hebben we schulden. Door de rechter is besloten dat we een schuldsaneringstraject in gaan. We krijgen 1080 euro per maand en daar komen we goed mee rond. Daarnaast zijn er nog twee dames van praktische thuisbegeleiding. Eén van mijn kinderen heeft extra aandacht nodig en dat gaat beter zo. Ik hoop dat we die zorg altijd houden. Ik hoop ook dat René altijd blijft, maar ik weet dat dat niet kan. Ik weet ook dat hij ons niet in de steek zal laten voor we er klaar voor zijn.’

‘Wie zien jullie nog meer behalve René? Hebben jullie nog vrienden of familie?’ wil ik weten.
‘We hebben een heel kleine sociale kring. Of nou ja, eigenlijk geen sociale kring. Mensen blijven bij Jacques niet hangen. Ik had een tijdje wel een vriendin, maar die is ook afgehaakt. Ik kan mijn emoties niet laten zien. Ik heb wel een zus in Rotterdam en daar heb ik wel veel contact mee. Jacques’ ouders hebben ons laten barsten toen de kinderen uit huis geplaatst werden. Verder komt mijn moeder nog wel twee keer per week, voor de was. Maar zij is contactgestoord. Toen mijn zus vertelde dat ze zwanger was, vroeg ze: “Is er nog koffie?”.’

‘Hoe hoop je dat je leven er over vijf jaar uitziet?’ vraag ik. Linda heeft daar wel een beeld van. ‘Ik hoop dat Jacques dan in een huisje bij ons in de buurt woont. Ik wil niet scheiden. Ik hou heel veel van hem, maar dat zou beter zijn. Harry van Humanitas heeft ook Asperger en van hem hoorde ik dat hij en zijn partner apart wonen. Zijn vrouw woont met de kinderen en hij woont ernaast. Zoiets is perfect.’
Ze denkt even na als ik vraag wat zij zelf zal doen over vijf jaar. ‘Geen idee’, zegt ze dan. ‘Op de kleinkinderen passen denk ik. Ze zullen dan vast al wel kinderen hebben. En ik wil samen zijn met de dieren, met de poezen.’ ‘En de insecten?’ vraag ik.
Ze lacht: ‘Nee joh! Ik ben doodsbang voor die beesten!’

Linda loopt met me mee door de gang. In het smalle gangetje vraag ik haar nog hoe ze het interview vond. ‘Aan de ene kant fijn, aan de andere kant pijnlijk. Ik denk nu, waarom hebben mensen niet eerder naar me geluisterd? Waarom heb ik mijn kinderen een jaar moeten missen?’

Wandelende+tak.jpg

In 2013 schreef ik voor DSP-groep, in opdracht van de gemeente Tilburg, vier portretten over hoe multiprobleemgezinnen de tijdelijke hulp van gezinsmanagers ervaren.