Mañana, Mañana #7

Mijn ouders zijn vanochtend alle twee op de fiets vertrokken. Ik zag de sporen van hun banden door de witte tuin. De buurman laat zijn rode Porsche slippen.

Ik lig op het logeerbed in de kamer die eerst mijn kamer was. Waar ik mijn hoofd vaak aan de houten balken heb gestoten en waar ik mijn benen openhaalde aan een schuine muur die van dat gekke reliëf had.

‘Als jij thuis bent rammelen mijn kopjes op hun schoteltjes!’ lachte mijn vorige onderbuurvrouw gister. 

‘Jij bent zo levendig! Heerlijk. Maar het meisje dat er nu woont, is een verademing,’ ze keek me vriendelijk aan vanuit haar stoel met schapenvacht.

Even wist ik niet wat ik moest zeggen, ik had mezelf altijd als een rustig persoon beschouwd en ik had er maanden over gedaan om een onderhuurder te vinden die een beetje op mij leek.

‘Dus als ik het goed begrijp…?’ zei ik.

‘Wij hopen dat je gelukkig wordt in Madrid,’ knikte ze.

Haar man die naast me op de bank zat, sloeg me jolig op mijn rug. De tranen liepen over zijn wangen, maar dat kwam omdat hij zijn ogen drie dagen geleden had laten laseren.

‘Nou, ik houd jullie op de hoogte!’ riep ik, voordat ik de sneeuw instapte en richting mijn ouders liep. Nog drie nachten Nederland.