Mañana, Mañana #7

Mijn ouders zijn vanochtend alle twee op de fiets vertrokken. Ik zag de sporen van hun banden door de witte tuin. De buurman laat zijn rode Porsche slippen.

Ik lig op het logeerbed in de kamer die eerst mijn kamer was. Waar ik mijn hoofd vaak aan de houten balken heb gestoten en waar ik mijn benen openhaalde aan een schuine muur die van dat gekke reliëf had.

‘Als jij thuis bent rammelen mijn kopjes op hun schoteltjes!’ lachte mijn vorige onderbuurvrouw gister. 

‘Jij bent zo levendig! Heerlijk. Maar het meisje dat er nu woont, is een verademing,’ ze keek me vriendelijk aan vanuit haar stoel met schapenvacht.

Even wist ik niet wat ik moest zeggen, ik had mezelf altijd als een rustig persoon beschouwd en ik had er maanden over gedaan om een onderhuurder te vinden die een beetje op mij leek.

‘Dus als ik het goed begrijp…?’ zei ik.

‘Wij hopen dat je gelukkig wordt in Madrid,’ knikte ze.

Haar man die naast me op de bank zat, sloeg me jolig op mijn rug. De tranen liepen over zijn wangen, maar dat kwam omdat hij zijn ogen drie dagen geleden had laten laseren.

‘Nou, ik houd jullie op de hoogte!’ riep ik, voordat ik de sneeuw instapte en richting mijn ouders liep. Nog drie nachten Nederland.

Mañana, Mañana #6

We gingen naar de Hortus. Ik had vuistgrote vlinders verwacht en bloemen die hun muilen dichtklapten als het touwtje van mijn jas te dichtbij zou komen, maar het mooiste vond ik de oude schoolposters over bijenfamilies, de oude vrouw in de vlinderkas die alleen de airconditioning fotografeerde en de oude Orangerie. Hoge ramen in smalle kozijnen en overal glas waar de regen op kon tikken en de nacht op kon vallen.

Ik was met een vriendin die ik al mijn hele leven ken. Jaren geleden speelden we samen met de takken in de tuin van haar ouders of in de aangeveegde tuin van de mijne. Voor we weer vertrokken wilden we een biertje, maar binnen oefende een jazzband. Zo hard dat zelfs de harde stem van mijn vriendin er bijna niet bovenuit kwam.

Ze schreeuwde dat het goed ging op haar werk.

‘En hoe is het met je boek?’

‘Goed hoor!’ riep ik terug.

‘Weet je al hoe het afloopt?’

‘Nee, nog steeds niet! 

We grijnsden naar elkaar, ik dronk mijn glas leeg en bestelde er nog een. Het was nog twee dagen rijden voor ik thuis was.   

Mañana, Mañana #5

In Spanje hebben mensen geen achternamen waar dieren in voorkomen. In Nederland wel. Ik herinner me een keer dat mijn ouders in bed wilden blijven liggen en ik croissants en brood bij de bakker op de hoek moest halen.

‘Evelien, deze mevrouw heet ook Vos,’ zei de bakkersvrouw. De bakkersvrouw leek een beetje op mijn pianojuf, maar misschien waren ze alleen even oud. Ouder dan mijn moeder.

De mevrouw naast me had een grote jas en een klein roodbruin hondje.

‘Mijn naam is De Vos, Vos is zo ordinair,’ zei ze.

Ik weet niet of ik al wist wat ordinair betekende, maar de vrouw kneep haar ogen een beetje dicht en sperde haar neusgaten open en de bakkersvrouw vroeg of ik een koekje wilde. Dat deed ze normaal niet.

Jaren later kwam ik een jongen tegen die fan was van alle meisjes met dierenachternamen, helemaal als ze er ook nog een beetje leuk uitzagen.

Hij zag mijn achternaam pas toen we bij mij voor de deur stonden en kon zijn geluk niet op. Hij had een paar maanden daarvoor een meisje ontmoet dat Specht heette en daar werd hij helemaal gek van. Vossen hebben een bijzonder soort rust, zei hij.

Mañana, Mañana #4

Na de eerste regenbui in weken rijden we ’s ochtends met een nat tentje door de bergen bij Madrid. De autoradio kraakt. De zon is al warm. Op een weg met een paar huizen en een kleine winkel stoppen we om water te kopen en stap ik uit.

In de winkel staan twee vrouwen, de één staat in een groot roze shirt achter een glazen vitrine vol koekjes, de ander staat voor de vitrine en leunt op haar stok die licht trilt. De rust binnen is hetzelfde als buiten. Zonlicht valt langs de kleine posters op de ramen, waarop staat op welke dagen de volgende jackpotten zullen vallen. 

Ik wil koekjes meenemen, omdat ik goed heb geslapen en het zondag is, maar in de amandelkoekjes uit de streek zit varkensvet.

‘Al mijn koekjes hebben varkensvet,’ zegt de vrouw achter de vitrine teleurgesteld, ze draagt geen bh onder haar shirt en haar ogen lijken nog donkerder door haar grote brillenglazen. De vrouw die op haar stok leunt, observeert me schuin van onder, de aderen in haar hand zijn blauw, haar stok trilt meer dan net.

Met de fles water onder mijn arm loop ik snel naar buiten voor ik nog meer rust verstoor. In de berm naast de weg zet een oude man een verkeersbord recht.

Mañana, Mañana #3

‘Ik hoorde dat je schrijver bent?’

‘Alleen Nederlands,’ antwoordde ik.

De schilder uit de werkplaats waar ik sinds vorige week zit, zweette een beetje en keek geïnteresseerd. Als het schrijven goed gaat, gaat praten ook goed. Als het slecht gaat, heb ik eigenlijk niets te zeggen.

Ik voelde dat ik rood werd. De barman zette Braziliaanse muziek op. De komende twee weken wordt het in Madrid nog 29 graden. 

‘En waarom ben je naar Madrid gekomen?’ ging hij door. Hij leunde op de bar en stak zijn zonnebril in het borstzakje van zijn geruite blouse.

‘Voor mijn vriend,’ zei ik.

‘Niet voor een verhaal? Sommige schrijvers verhuizen voor een verhaal,’ hij bleef me aankijken.

‘Nou ja, een andere omgeving is altijd goed,’ mompelde ik.

Gister las ik een interview met een Amerikaanse schrijfster die naar Italië verhuisde omdat ze te succesvol werd en daar alleen nog maar in het Italiaans schreef.

‘Thuis is een plek waar je beschermd en uitgedaagd wordt,’ zei ze.

Ik lag op de bank en mijn vriend leerde aan de eettafel Nederlandse woorden.

Hij vroeg me wat ‘sla’ betekende en ik zei zonder op te kijken: ‘Wat denk je zelf dat het is?’

Een seconde later kreeg ik zijn lesboek naar mijn hoofd. Op de voorkant stond een stuk kaas.

Mañana, Mañana #2

Toen ik de naam van onze nieuwe huurbaas googlede kreeg ik afbeeldingen van een priester achter een spreekgestoelte.

Rufino zal ons en de priester vanavond in bar May Flower aan elkaar voorstellen en daar moeten we elfhonderd euro in briefjes van vijftig overhandigen.

‘Waar moeten we het dan over hebben? Zou hij ook van reizen houden?’ vroeg ik vanochtend voor de grap, terwijl ik mijn nagels lakte. Ik houd eigenlijk niet van nagellak, maar Gonzalo zei eens dat hij van de geur houdt. Het herinnert hem aan vroeger, aan de zomer en zijn moeder en zussen bij het zwembad.

‘Jij met je vraagjes!’ riep hij zonder op te kijken.

Hij lag op bed in een oude Kuifje te zoeken naar het citaat waar Delicias Turcas van Jan Wolkers mee begint. Gonzalo onthoudt gekke dingen. Hij weet dat 'De Paddentrek' de titel van een nummer van de gitarist Sacksioni is en dat koning Albert van Monaco vreemdgaat, maar dat weet iedereen in Spanje.

‘Kijk hier is het!’

Op bed keken we samen naar de plaatjes. Twee geleerden die elkaar proberen te overtuigen dat ze slechter zijn dan de ander. 

‘Ja,’ zei ik.

We keken elkaar aan en lachten omdat we gelukkig niets wijzer waren.

Mañana, Mañana #1

Rufino zou ons het appartement laten zien. ‘Rufino met zijn pepino,’ zei Gonzalo. Hij had aan de telefoon een goed gevoel bij hem. ‘Zoals bij die oude man aan wie ik laatst mijn vulpen heb verkocht.’ Gonzalo heeft bij sommige mensen in een paar seconden een onverklaarbaar gevoel van totale ontspanning.

Ik had na de Spaanse les met een Frans meisje witte wijn gedronken. We zaten op een klein plein op een terras van een bar die alleen op extreem warme dagen open gaat, op twee minuten loopafstand van het lege appartement. Ik vroeg Marie-Anne naar haar tangolessen, maar dacht aan de foto’s op internet. Visgraat parket en grote ramen. Visgraat parket en grote ramen. Om half negen hadden we de afspraak. 

Toen de klokken van de kerk om de hoek luidden, sloegen Gonzalo en ik hand in hand de kleine straat in die schuin naar beneden liep. Ik voelde me licht in mijn hoofd door de wijn.

Rufino stond met zijn alpinopet op voor een donkergroene deur op ons te wachten en keek op zijn horloge.

‘Prachtig,’ zei hij.

Hij liet ons voor gaan in de lift en vroeg ons wat voor werk we deden.

Bij Gonzalo knikte hij goedkeurend. Toen ik zei dat ik aan een boek schreef, lachte hij hard.

‘Dat zullen we maar snel vergeten!’ riep hij uit.